Bernadette Soubirous

Alles wat we over de verschijningen en de Boodschap van Lourdes weten, komt van Bernadette. Zij alleen heeft gezien.  Maar wie is zij? Men kan in haar leven drie periodes onderscheiden: haar kinderjaren in een verarmde familie; een “openbaar” leven in de tijd van de verschijningen en haar getuigenis; ten slotte een “verborgen” leven als religieuze in Nevers.

Bernadette Soubirous

Voor de Verschijningen

Bij het vertellen van de verschijningen wordt Bernadette voorgesteld als een arm, ziek en onwetend meisje, armzalig wonend in het cachot. Heel zeker, maar het was niet altijd zo.Bij haar geboorte, op 7 januari 1844 in de Boly-molen, is zij het eerste kind, de erfgename, van François Soubirous en Louise Castérot die uit echte liefde waren gehuwd. Bernadette groeide op in een familie die één was, waar men elkaar liefhad en waar werd gebeden. Tien jaar geluk die beslissend waren voor haar kinderjaren en haar persoonlijkheid zal vormen met een mooie evenwichtigheid. Het wegzinken in de ellende zal deze menselijke rijkdom niet uitwissen. Toch is Bernadette aan 14 jaar maar 1m 40 met regelmatige astmacrisissen. Zij is levendig en spontaan van aard, wilskrachtig, gevat in haar antwoorden, niet in staat de schijn op te houden. Zij heeft ook wat eigenliefde, wat niet ontsnapte aan Moeder Vauzou in Nevers, die haar zo beschreef: “stug karakter, heel gevoelsmatig”. Bernadette had spijt over haar gebreken en bestreed ze heel energiek. Een sterke persoonlijkheid maar zonder vorming. Geen tijd voor de school: zij moest helpen in het café van haar tante Bernarde. Geen catechismus: haar rebels karakter onthield de abstracte formules niet. 14 jaar dus en ze kan noch lezen noch schrijven en zij lijdt eronder. Zij voelt zich uitgesloten. En dus reageert zij. In september 1857 wordt zij naar Bartrès gestuurd, maar ze keert op 21 januari 1858 naar Lourdes terug: zij wil haar eerste communie doen. Zij zal ze doen op 3 juni 1858, tijdens de verschijningen.

Het “openbaar” leven

De verschijningen beginnen op 11 februari 1858. Om haar ouders te helpen belastte zij er zich mee dood hout te gaan zoeken op de oevers van de Gave.

Daar wordt zij met het mysterie geconfronteerd. Een geluid “als een windstoot”, een licht en een aanwezigheid. Haar reactie? Zij geeft teken van gezond verstand en van een merkwaardige beslissing; Zij gelooft dat ze zich vergist en mobiliseert haal menselijke mogelijkheden: zij kijkt, wrijft zich de ogen uit en probeert te begrijpen. Vervolgens wendt ze zich tot haar gezellinnen: “Hebben jullie iets gezien?” Daarna richt ze zich tot God: zij bidt haar rozenkrans. Zij richt zich ook tot de Kerk en vraagt raad aan priester Pomian in de biechtstoel: “Ik zag iets wit in de vorm van een dame.” Tijdens een ondervraging door commissaris Jacomet antwoordt zij zelfverzekerd, toch voorzichtig en met een kracht die verbazen bij een jong meisje zonder opleiding: “Aquero, ik heb niet gezegd dat het de Maagd Maria is… Mijnheer u hebt alles veranderd.” Zij zegt wat ze gezien heeft met een zekere onthechting, een verbazende vrijheid: “Ik ben belast het u te zeggen, niet te doen geloven.”

Zij vertelt de verschijningen nauwgezet, zonder er ook maar iets aan toe te voegen of weg te laten. Een keer, afgeschrikt door de ruwheid van pastoor Peyramale heeft zij er een woord bijgevoegd: “Mijnheer pastoor, de Dame vraagt nog altijd een kapel… zelfs een heel kleintje.” In zijn pastorale brief over de verschijningen onderstreept Mgr. Laurence “de eenvoud, de oprechtheid en de bescheidenheid van dat kind… zij vertelt zonder gemaaktheid, on gekunsteld… en bij de talrijke vragen die men haar voorlegt geeft zij zonder aarzelen duidelijke heldere antwoorden met de nadruk van een sterke overtuiging. Ongevoelig zowel voor de bedreigingen als voor de aangeboden voordelen”is de oprechtheid van Bernadette onbetwistbaar: zij heeft niet willen om de tuin leiden.” Maar heeft zij zichzelf vergist… slachtoffer van een hallucinatie? Vraagt de bisschop zich af. En dan vermeldt hij de kalmte en het gezond verstand van Bernadette, de afwezigheid van elke opwinding, en ook het feit dat de verschijningen niet van Bernadette afhingen: zij verwachtte er zich niet aan en zelfs tijdens de twee weken durende verschijningen ging Bernadette twee keer naar de Grot en was de Dame er niet. Om tot zijn beslissingen te komen heeft Bernadette moeten antwoorden op nieuwsgierigen, bewonderaars, journalisten en anderen, verschijnen voor een burgerlijke en religieuze onderzoekscommissie. Zo werd Bernadette op het voorplan geprojecteerd en stond zij in de actualiteit: zij onderging een mediastorm. Zij heeft veel geduld en humor nodig gehad om te weerstaan en de zuiverheid van haar getuigenis te bewaren. Zij aanvaardt niets: “Ik wil arm blijven.” Zij zegent geen rozenkransen die men haar voorhoudt: “Ik draag geen stola.”Zij verkoopt geen medailles: “Ik ben geen verkoopster.” En bij het zien van spotgoedkope prentjes met haar foto, zegt ze: “Ja, tien centiemen, meer ben ik niet waard.”

In die situatie is het leven in het Cachot onmogelijk geworden. Bernadette moet beschermd worden. Pastoor Peyramale en burgemeester Lacadé gaan akkoord: Bernadette zal toegelaten worden als “behoeftige zieke” in het hospice dat de Zusters van Nevers beheren; zij komt er aan op 15 juli 1866. Zij is dan 16 jaar en leert lezen en schrijven. In de kerk van Bartrès ziet men vandaag nog de streepjes die zij zelf maakt! Later zal ze vaak naar haar familie en zelfs naar de paus schrijven! Zij bezoekt haar ouders die nu in het “ouderlijk huis” wonen. Zij verzorgt enkele zieken, maar zij zoekt vooral haar weg: tot niets in staat en zonder bruidsschat, hoe kan ze religieuze worden? Uiteindelijk treedt zij binnen bij de Zusters van Nevers, “want men heeft er mij niet toe aangetrokken”. Vanaf dan vervult één zekerheid haar geest: “Mijn zending in Lourdes is voorbij.” “Nu moet ik verdwijnen om alle plaats aan Maria te laten.”

Het “verborgen” leven in Nevers

Het is Bernadette zelf die deze uitdrukking gebruikt: “Ik ben naar hier gekomen om mij te verbergen.” In Lourdes was zij Bernadette de zieneres. In Nevers wordt zij Zuster Marie-Bernard, de heilige. Men spreekt vaak over de strengheid van de oversten tegenover haar, maar men goed begrijpen dat Bernadette “een geval” was: men moest haar wegtrekken van de nieuwsgierigen, haar beschermen en ook de congregatie. Bernadette zal de dag na haar aankomst het relaas van de verschijningen doen voor de verzamelde gemeenschap van de zusters; daarna mag ze er niet meer over spreken. Men houdt haar in het hoofdklooster, terwijl ze zo graag de zieken had verzorgd. Op de dag van haar professie is geen enkele taak voor haar voorzien: de bisschop geeft haar dan de taak “van het gebed”. “Bid voor de zondaars” had de Dame gevraagd. Zij zal er trouw aan blijven. Zo schrijft ze aan de paus: “Mijn wapens zijn het gebed en het offer.” De ziekte maakt haar tot een pijler van de ziekenboeg, en dan zijn er ook nog die zeer talrijke bezoeken in de spreekkamer: “Die arme bisschoppen, ze zouden beter thuis blijven.” Lourdes is heel ver… teruggaan naar de Grot, nooit! Maar elke dag doet ze in de geest haar bedevaart. Zij zal over Lourdes niet spreken, nee, zij zal Lourdes beleven. “U moet de eerste zijn om de boodschap te beleven” zei pater Douce, haar biechtvader. En in feite, na haar taak als hulpverpleegster wordt zij zelf meer en meer zieke. Zij maakt er “haar taak” van, als een daad van liefde alle kruisen aanvaardend, voor de zondaars: “Het zijn tenslotte onze broeders en zusters.” Tijdens de lange slapeloze nachten sluit zij zich aan bij alle missen die overal ter wereld worden opgedragen. Zij offert zich als een “levende gekruisigde” in het reusachtige gevecht tussen het duister en het licht, verbonden, met Maria, in het mysterie van de Verlossing, de ogen op het kruisbeeld gericht: “Daarin vind ik mijn kracht”.

Zij sterft op 16 april 1879 in Nevers aan de leeftijd van 35 jaar. De Kerk heeft haar heilig verklaard op 8 december 1933, niet omdat zij verschijningen had, maar voor de manier waarop zij er heeft op geantwoord.